De zes rechten van een moslim op een andere moslim

حَقُّ الْمُسْلِمِ عَلَى الْمُسْلِمِ سِتٌّ

Vertaald en samengesteld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

Alle lof is voor Allah die Zijn profeten stuurde met de Ware Religie om deze te laten zegevieren over alle (vormen van) godsdienst, ook al haten de afgodenaanbidders het. Moge de vrede en zegeningen van Allah zijn met Moh’ammed de zoon van ‘Abdoellaah, de profeet van Ware Leiding voor alle mensen. Allah heeft hem tot alle mensen gestuurd. De tekenen van zijn komst hebben de oren en de ogen bereikt voor hen die hun verstand gebruiken of wie luistert terwijl hij een getuige is. Moge Allah de zegeningen en vrede geven aan Moh’ammed, zijn familie, zijn metgezellen en degenen die hen in het goede volgen tot aan de Dag des Oordeels. Voorts:

De rechten die een moslim op een andere moslim heeft zijn talrijk. Sommigen daarvan zijn individuele verplichtingen (fardh ‘ayn) die van elke persoon vereist worden. Als iemand daarin faalt, dan zondigt hij. Anderen zijn gemeenschappelijke verplichtingen (fardh kifaayah); als sommige mensen ze vervullen, dan zijn de anderen er van vrijgesteld. En sommigen zijn moestah’abb (aangemoedigd, aanbevolen) maar niet verplicht, dus de moslim zondigt niet als hij ze niet vervult (maar wordt beloont als hij ze wel verricht).

Tot de rechten die een moslim op een andere moslim heeft behoren:

Al-Boekhaarie (1240) en Moeslim (2162) leverden over dat Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn) zei: “Ik hoorde de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) zeggen (Nederlandstalige interpretatie):

De rechten van een moslim op een andere zijn vijf: het beantwoorden van de begroeting vansalaam, de zieken bezoeken, begrafenissen bijwonen, op uitnodigingen ingaan en het zeggen vanyarh’amoek Allaah (moge Allah genade met jou hebben) tegen degene die niest (en die Allah vervolgens prijst door al-h’amdoelillaah te zeggen).”

En Moeslim (2162) leverde over van Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn) dat de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie):

De rechten van een moslim op een andere moslim zijn zes.” Er werd gezegd: “Welke zijn dat, o boodschapper van Allah?” Hij zei: “Wanneer je hem ontmoet, begroet hem met de salaam; wanneer hij jou uitnodigt, ga op de uitnodiging in; als hij om advies vraagt, geef hem oprecht advies; als hij niest en Allah prijst (door al-h’amdoelillaah te zeggen), zeg yarh’amoek Allaah (moge Allah genade met jou hebben); als hij ziek wordt, bezoek hem; en als hij overlijdt, woon zijn begrafenis bij.”

Nu volgt een toelichting op deze zes rechten.

 

1.) Wanneer je hem ontmoet, begroet hem met de salaam

Het beantwoorden van de begroeting van salaam is verplicht als de begroeting gericht is tot één persoon. Als een groep begroet wordt met de salaam, dan is het voor de groep verplicht (fardh kifaayah of gezamenlijke verplichting; als iemand van de groep teruggroet, dan is er aan de verplichting voldaan). Met betrekking tot het beginnen van de begroeting, het basisprincipe is dat het soennah is (waarmee men beloning verwerft).

In al-Mawsoe‘ah al-Fiqhiyyah (11/314) wordt aangegeven: “Het beginnen met het begroeten is soennah moe-akkadah (een bevestigde soennah), want de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): ‘Verspreid de begroeting van salaam onder elkaar.’ Het is verplicht om de begroeting te beantwoorden als het gericht is tot één persoon. Als de begroeting gericht is tot een groep, dan in hun geval is het teruggroeten een fardh kifaayah (gezamenlijke verplichting); als iemand van hen teruggroet, dan vervalt de zonde voor de anderen. Maar als zij allemaal teruggroeten, dan hebben zij allemaal gedaan wat vereist is, of zij nu allemaal samen teruggroeten of de een na de ander. Als niemand van hen teruggroet, dan zondigen zij allemaal vanwege de overlevering waarin staat: ‘De rechten van een moslim op een andere zijn vijf: het beantwoorden van de begroeting van salaam…’” (Einde citaat.)

Zie het artikel As-Salaam – de islamitische vredesgroet voor meer informatie.

2.) Wanneer hij jou uitnodigt, ga op de uitnodiging in

Als de uitnodiging voor een bruiloft (waliemah) is, dan is de meerderheid van de geleerden van mening dat het verplicht (waadjib) is om er op in te gaan, tenzij er een wettige shar’ie reden is dat niet te doen. Het bewijs (daliel) dat het verplicht is om op dergelijke uitnodigingen in te gaan, is de overlevering (h’adieth) die overgeleverd is door al-Boekhaarie (4779) en Moeslim (2585), van Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn), dat de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Het slechtste soort voedsel is het voedsel van een bruiloftsfeest dat niet gegeven wordt aan degenen die wel komen en waartoe mensen worden uitgenodigd die het wellicht weigeren. Eenieder die niet ingaat op de uitnodiging is Allah en Zijn boodschapper ongehoorzaam geweest.”

Als de uitnodiging voor iets anders is dan een bruiloftsfeest, dan is de meerderheid van mening dat het sterk aanbevolen (moestah’abb) is. Maar er zijn voorwaarden voor het ingaan op uitnodigingen in algemene termen.

Geleerden hebben voorwaarden gesteld voor het ingaan op uitnodigingen. Als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, dan is het niet verplicht of moestah’abb om op de uitnodiging in te gaan, en het kan zelfs verboden (h’araam) zijn om aanwezig te zijn. Sheikh Moh’ammed ibn ‘Oethaymien somde deze voorwaarden als volgt op:

1.) Er dient in de plaats waar het feest enzovoort plaatsvindt niets aanwezig te zijn dat aan bezwaar onderhevig is (moenkar – afkeurenswaardige of laakbare zaken, zoals muziek en het mengen van mannen en vrouwen). Als er iets onwenselijks is en het is mogelijk om het te verwijderen, dan is het om twee redenen verplicht om op de uitnodiging in te gaan: om op de uitnodiging in te gaan en het onwenselijke aspect te veranderen. Als het niet mogelijk is om het te verwijderen dan is het h’araam om aanwezig te zijn.

2.) De persoon die hem uitnodigt dient niet iemand te zijn voor wie het verplicht of soennah is om te negeren (zoals iemand die openlijk immorele daden of zonden begaat, waardoor het negeren van hem voordelig kan zijn om hem berouw te laten tonen).

3.) De persoon die hem uitnodigt dient een moslim te zijn. Als hij dat niet is, dan is het niet verplicht om op de uitnodiging in te gaan. Want de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “De rechten van een moslim op een andere zijn vijf…”

4.) Het voedsel dat aangeboden wordt dient toegestaan te zijn voor ons om te eten.

5.) Op de uitnodiging ingaan dient niet te leiden naar het negeren van een belangrijkere taak; als dat het geval is, dan is het h’araam om op de uitnodiging in te gaan.

6.) Het dient geen moeilijkheden te veroorzaken voor de persoon die uitgenodigd is. Bijvoorbeeld, als hij moet reizen, of zijn familie achter moet laten terwijl zij hem nodig hebben enzovoort. (Naar al-Qawl al-Moefied, 3/111.)

Sommige geleerden voegden hier aan toe:

7.) Als de gastheer een algemene uitnodiging verkondigde, zeggende dat iedereen welkom is, dan is het niet verplicht om op de uitnodiging in te gaan.

Vrouwen dienen de toestemming van hun echtgenoten te vragen om het huis te verlaten om naar feesten enzovoort te gaan waartoe zij worden uitgenodigd.

Gerespecteerde broeder/zuster, weet dat de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) ons gewaarschuwd heeft voor de gevolgen van het aanwezig zijn bij bijeenkomsten waarbij Allah niet genoemd wordt. Hij (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Degenen die in een bijeenkomst zitten waarbij zij Allah niet gedenken of zegeningen voor hun profeet vragen #1, zullen er spijt van krijgen. Als Hij wil zal Hij hen bestraffen, en als Hij wil zal Hij hen vergeven.” [Overgeleverd door at-Tirmidzie, 3302; hij zei dat deze h’adieth een sah’ieh’ h’asan h’adieth is. Het werd ook als sah’ieh’ (authentiek) geclassificeerd door al-Albaanie in Sah’ieh’ at-Tirmidzie, 3/140.)

[#1 Zie het artikel Het vragen van zegeningen en vrede voor de profeet ﷺ.]

In Soenan Abie Daawoed (4214) en elders is overgeleverd dat Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn) zei: “De boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): ‘Degenen die weggaan van een bijeenkomst waarbij zij Allah niet herdacht hebben, zullen slechts zijn alsof zij weggegaan zijn van het karkas van een ezel, en het zal een bron van verdriet voor hen zijn.’” (Door an-Nawawie als sah’ieh’ geclassificeerd in Riyaadh as-Saalih’ien, 321, alsook door al-Albaanie.)

De volgende smeekbede (duadoe’aa-e) is een goedmaking na het bijwonen van een bijeenkomst (kaffaaratoe l-madjlies):

سُبْحـانَكَ اللّهُـمَّ وَبِحَمدِكَ أَشْهَـدُ أَنْ لا إِلهَ إِلاّ أَنْتَ أَسْتَغْفِرُكَ وَأَتوبُ إِلَـيْكَ

Soebh’aanaka llaahoemma wa bieh’amdieka, ash-hadoe allaa iellaaha iellaa ant, astaghfieroeka wa atoeboe ielayk.

Glorieus bent U, o Allah, alle lof behoort aan U. Ik getuig dat er geen god is dan U. Ik zoek Uw vergiffenis en toon berouw aan U. (Aboe Daawoed, Ibn Maadjah en an-Nasaa-ie, zie ook al-Albaanie, Sah’ieh’ at-Tirmidzie 3/153.)

 

3.) Als hij om advies vraagt, geef hem oprecht advies

Met betrekking tot het adviseren van degene die om advies vraagt, het geven van advies is hoogstwaarschijnlijk een gemeenschappelijke verplichting.

Ibn Moeflih’ (moge Allah hem genadig zijn) zei: “De klaarblijkelijke betekenis van de woorden van Ah’med en onze metgezellen is dat het verplicht is om de moslim te adviseren, zelfs als hij er niet om vraagt, zoals de klaarblijkelijke betekenis is van de overleveringen.” (Einde citaat uit al-Adaab ash-Shar‘iyyah van Ibn Moeflih’, 1/307.)

Al-Moellah ‘Alie al-Qaarie (moge Allah hem genadig zijn) zei: “‘Als hij jou om advies vraagt’ betekent dat je hem advies dient te geven als hij er om vraagt, het is verplicht. Het is ook verplicht om advies te geven ook al vraagt hij er niet om.” (Einde citaat uit Mirqaat al-Mafaatieh’, 5/213.)

Al-H’aafidhz Ibn H’adjar (moge Allah hem genadig zijn) zei: “Het is duidelijk dat er met ‘recht’ (h’aqq) hier bedoeld wordt dat het verplicht is. Dit is anders dan de woorden van Ibn Battaal, die zei dat er het recht op respect en vriendschap mee bedoeld wordt. Het lijkt erop dat er bedoeld wordt dat het een gemeenschappelijke verplichting is.” (Einde citaat uit Fath’ al-Baarie, 3/113.)

Er is overgeleverd in Sah’ieh’ Moeslim op het gezag van Aboe Roeqayyah Tamiem ad-Daarie (moge Allah tevreden over hem zijn), dat de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “De religie is oprechtheid.” Wij zeiden: “Aan wie, o boodschapper van Allah?” Hij zei: “Aan Allah (gehoorzaam Hem), Zijn boodschapper (geloof, respecteer en volg hem), Zijn Boek (volg het), de leiders van de moslims (help hen met hun werk) en het gewone volk [beveel hen al-ma’roef (het deugdzame) en verbied hen al-moenkar (het verwerpelijke, het slechte)].”

Zie het artikel Een moslim is een spiegel voor een moslim.

4.) Als hij niest en Allah prijst, zeg yarh’amoek Allaah

Er is een meningsverschil over de regelgeving met betrekking tot het zeggen van yarh’amoek Allaah (moge Allah genade met jou hebben) tegen degene die niest.

In al-Mawsoe’ah al-Fiqhiyyah (4/22) staat:

Het zeggen van yarh’amoek Allaah (moge Allah genade met jou hebben) is soennah (aanbevolen) volgens de shaafa’ies. Volgens de h’anbalies en de h’anafies is het verplicht. De Maalikies zeiden – en dit is ook een mening onder de h’anbalies – dat het een gemeenschappelijke verplichting is. Er is overgeleverd van al-Bayaan dat de sterkste mening is dat het een individuele verplichting (fardh ‘ayn) is (dus iedereen die een moslim hoort niezen waarna hij al-h’amdoelillaah zegt dient yarh’amoek Allaah tegen hem te zeggen), vanwege de h’adieth (Nederlandstalige interpretatie): “Het is een verplichting op elke moslim die hem (degene die niest) hoort om te zeggen: yarh’amoek Allaah (moge Allah genade met jou hebben).”(Einde citaat.)

De meest correcte mening is dat het verplicht is voor degene die de niezer Allah hoort prijzen (door al-h’amdoelillaah te zeggen), vanwege de overlevering overgeleverd door al-Boekhaarie (6223) van Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn), die zei dat de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Allah houdt van niezen en houdt niet van gapen. Dus als iemand van jullie niest en Allah prijst (al-h’amdoelillaah zegt), is het een verplichting op elke moslim die hem hoort om te zeggen: yarh’amoek Allaah (moge Allah genade met jou hebben).”

Zie het artikel Gapen en niezen voor meer informatie.

5.) Als hij ziek wordt, bezoek hem

Het bezoeken van de zieken is een gemeenschappelijke verplichting. Sheikh Ibn ‘Oethaymien zei: “Het bezoeken van de zieken is een fardh kifaayah (gemeenschappelijke verplichting).” (Madjmoe’ Fataawaa wa Rasaa-il Ibn ‘Oethaymien, 13/1085.)

Shaykh al-Islaam (Ibn Taymiyyah) was ook van mening dat het een gemeenschappelijke verplichting (fardh kifaayah) is, zoals aangegeven wordt in al-Ikhtiyaaraat (p. 85), en dit is de correcte mening.

Zie het artikel Ziekte, een vermomde zegen voor meer informatie over het bezoeken van de zieken.

 

6.) En als hij overlijdt, woon zijn begrafenis bij

Het bijwonen van begrafenissen is ook een fardh kifaayah (gemeenschappelijke verplichting).

Al-H’aafidhz Ibn H’adjar (moge Allah hem genadig zijn) zei: “De klaarblijkelijke betekenis is dat het een gemeenschappelijke verplichting (fardh kifaayah) is.” (Einde citaat uit Fath’ al-Baarie, 3/136.)

Dus het bijwonen van begrafenissen is een gemeenschappelijke verplichting: als sommige mensen het doen, dan is de rest vrijgesteld van die verantwoordelijkheid. Maar als niemand het doet, dan zijn zij allemaal zondaars.

De profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) zei over de verdienste van het bijwonen van begrafenissen totdat het gebed (salaat al-djanaazah) verricht is en de overledene begraven is (Nederlandstalige interpretatie): “Wie de begrafenis bijwoont totdat het gebed verricht is, zal één qiraat (aan beloning) hebben; en wie aanwezig is totdat de overledene begraven is, zal twee qiraats hebben.” Er werd gezegd: “Wat zijn de twee qiraats?” Hij zei: “Zoals twee grote bergen.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, 1325; Moeslim, 945.)

Echter, de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) vermeed het verrichten van het begrafenisgebed (salaat al-djanaazah) voor sommige mensen, als een bestraffing en een berisping, en om anderen te ontmoedigen om hetzelfde te doen als wat zij deden. Hij verrichtte het begrafenisgebed niet voor degene die stal van de oorlogsbuit, of voor degene die zichzelf gedood had.

Shaykh al-Islaam Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn) zei: “Als iemand die de zakaah niet betaalde en niet bad behalve in Ramadhaan overlijdt, dan dienen de mensen van kennis en religieuze toewijding niet het begrafenisgebed te bidden voor hem als een bestraffing en een berisping voor degenen die zoals hem zijn. Want de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) bad het begrafenisgebed niet voor iemand die zichzelf gedood had, iemand die gestolen had van de oorlogsbuit en een schuldenaar die overleed zonder zijn schulden af te betalen. Maar sommige mensen moeten het begrafenisgebed voor hem verrichten… Als iemand die openlijk zonden beging maar nog enig geloof had overlijdt, zoals iemand die grote zonden begaat, en iemand weigert het begrafenisgebed voor hem te verrichten als een berisping voor anderen zoals hem, hij heeft goed gehandeld. Als iemand het begrafenisgebed voor hem verricht in de hoop dat Allah genade met hem zal hebben, en omdat er geen reden is om het gebed voor hem niet te verrichten, ook hij heeft goed gehandeld. Als iemand ogenschijnlijk weigert het begrafenisgebed voor hem te verrichten maar hij verricht in het geheim doe’aa-e (dua – smeekbeden) voor hem om beide doelen te bereiken, dat is beter dan het missen van een van hen.” (Einde citaat uit al-Ikhtiyaaraat, p. 80.)

Als van iemand bekend is dat hij hardvochtig en wreed is in de zin dat hij grote zonden of openlijk zonden verrichtte, dan dienen de mensen van kennis en deugdzaamheid, wier weigering het effect zal hebben dat anderen ontmoedigd worden om vergelijkbare zonden te begaan, zich te onthouden van het verrichten van het begrafenisgebed voor hem. Maar gewone mensen, wier weigering om aanwezig te zijn bij de begrafenis en het verrichten van het gebed geen enkele impact zal hebben, dienen de begrafenis bij te wonen en het gebed te verrichten, zodat zij de beloning kunnen verkrijgen daarvoor en hun verplichting jegens hun medemoslim kunnen vervullen.

(Zie het artikel Salaat al-djanaazah – het begrafenisgebed, en zie ook Vraag 12: is het toegestaan om voor iemand te bidden die zelfmoord heeft gepleegd?)

En Allah weet het het best.

Bron: onder andere https://islamqa.info/en/answers/178639/the-rights-of-one-muslim-over-another-include-those-that-are-obligatory-and-those-that-are-mustahabb, het maandblad Wij Moslims (jaargang 11) van uitgeverij Momtazah en diverse artikelen op www.eigekeuze.be.

Relevante artikelen:

Broeder- en zusterschap in de islam (diverse artikelen)

De voortreffelijke positie van buren in de islam

De rechten van de straat

De belangrijkheid van akhlaaq – goed gedrag

Een moslim is een spiegel voor een moslim

As-Salaam – de islamitische vredesgroet

Gapen en niezen

Ziekte, een vermomde zegen

Salaat al-djanaazah – het begrafenisgebed